Om kansrijke concepten en oplossingsrichtingen in de praktijk uit te proberen en daarvan te leren, zetten we naast gangbare kwalitatieve methodologie ook reflexieve monitoring instrumenten in. Voorbeelden van instrumenten uit de ‘ Reflexieve Monitoring in Actie’  (RMA) zijn de Dynamische Leer Agenda (DLA), ‘eye opener’- en tijdlijn-workshops.  (link met RMA-handboek Barbara van Mierlo) Deze instrumenten helpen leervragen te specificeren, actielijnen uit te stippelen, praktijkexperimenten uit te voeren en daarop op te reflecteren. Zo wordt stapsgewijs inhoud gegeven aan een gezamenlijk leer- en veranderproces. ‘Wat hebben we gedaan?” Waar heeft dit toe geleid?’ ‘Welke succeservaringen kunnen we vieren?’ ‘Met welke dilemma’s en hindernissen worden we geconfronteerd?’ ‘En hoe die weer aan te pakken?” De reflexieve monitoring instrumenten helpen participanten in het actieonderzoek de dilemma’s en hindernissen, die in de weg zitten, als nieuwe uitdagingen op te pakken. ‘What’s in the way, becomes the way! 

Actieonderzoek ‘Baanbrekende Professionals’

(2020-2022)

Samenwerkingspartners: WIJ-Groningen, Bedrijfswetenschappen (RUG), Ruimtelijke wetenschappen (RUG);.
Projectmanager: Marjolein van Offenbeek, m.a.g.van.offenbeek@rug.nl;                        Procesbegeleiders: Jouke Janze, jouke.janze@ wij.groningen.nl; Ieke Ploeger, Ieke.poeger@wij.groningen.nl; Evert Dagelet, evert.dagelet@wijgroningen.nl.                           ;                                                                      Adviseurs: Ant Lettinga, a,t,lettinga@umcg.nl: Erik Buskens, e.buskens@umcg.nl; Louise Meijering, l.b.meijering@rug.nl ;                                                                                                                                        Onderzoeker: Martian Slagter, m.slagter@rug.nl.

Dit actieonderzoek zoekt samen met een groep wijkprofessionals en bewoners naar meer eenvoud, samenhang en maatwerk in de ondersteuning van jongeren in kwetsbare situaties. Door extreme regel- en verantwoordingsdruk en daarmee samenhangende tijdrovende administratie ervaren wijkprofessionals weinig ruimte voor laagdrempelige ondersteuning van jongeren. Omdat de logica van het hulpsysteem leidend is, krijgt het verhaal achter de probleemsituatie weinig aandacht. Het systeem dwingt professionals tot enkelvoudige en snelle doorverwijzingen, zo bleek uit het actieonderzoek van ‘Vinken naar Vonken’. Hoge ‘case  loads’ en urgentie van individuele hulpvragen laten verder weinig ruimte voor teamreflectie en praktijk experimenten met andere manieren van denken en (samen)werken.. 

In dit nieuwe actieonderzoek verschuift een groep professionals uit 3 wijkteams hun focus van controleren of ze aan de regelgeving voldoen naar het oprekken van (systeem)grenzen in wijkgericht (samenwerken). Al-doende-lerend pionieren ze ter plekke met flexibele inzet van nieuwe inzichten en vaardigheden op en over grenzen van beroepsrollen (opbouwwerker, straatwerker, gezinsbegeleider), domeinen (woon, onderwijs, sport) en hulpsystemen heen. In een stapsgewijs en cyclisch leerproces van samen doen, reflecteren en verbeteren werken deze ‘baanbrekende’ professionals samen met jongeren en onderzoekers aan een ondersteuningspraktijk, die past bij hoe jongeren zelf over hun leven en ‘toekomstige zelf’ praten. Daarbij richt het onderzoek zich op 3 actieplekken:

1. Een straat als actieplek (procesbegeleider Evert Dagelet): Wij-medewerkers experimenteren in een multi-probleem straat met het concept van ‘straatgeneralist’  om versnippering en stapeling van het ondersteuningsaanbod in de straat te reduceren. 

2. Een school als actieplek (procesbegeleider Ieke Ploeger): Wij-medewerkers experimenteren vanuit de school als plek in de wijk met het ‘Home & Place making’ gedachtegoed op en over grenzen van beroepsrollen heen. 

3. Een voetbalclub als actieplek (procesbegeleider Jouke Janze): Straatcoaches pionieren met ‘grenzenwerk’ door in hun interventies bij jongeren een breed palet aan (on)veilige plekken te betrekken. Het gaat om jongeren die in een onveilige omgeving wonen en door incidenten de sportclub als relatief veilige plek dreigen te verliezen., Jouke Jnaze 

Overzicht

Actieonderzoek ‘Van Vinken naar Vonken’

(2018-2020)

Samenwerkingspartners: WIJ-Groningen, UMCG, Meerperspectief en RUG.
Projectmanager: Ant Letting, a.t.lettinga@umcg.nl;                                                                        Procesbegeleider: Martian Slagter, info@meerperspectief.nl;                                                                     Verbinder: Roos van Veen, roos.van.veen@wij.groningen.nl;                                                                       Adviseurs: Louise Meijering, l.b.meijering@rug.nl; Erik Buskens, e.buskens@umcg.nl.

Samenvatting: WIJ-Groningen staat voor een grote veranderopgave. Aan wijkprofessionals wordt gevraagd zelf te kantelen, de bewoners (en hun omgeving) te stimuleren mee te kantelen en daarin eigen team en samenwerkingspartners mee te nemen. Niet protocollen en regels zouden hierin leidend moeten zijn, maar de inzichten van de WIJ-medewerkers zelf samen met die van de bewoner(s).

De organisatie vraagt haar wijkprofessionals anders te denken en te doen, lef te tonen en in te zetten op een samenleving die problemen zoveel mogelijk zelf oplost en alleen ondersteuning biedt als dat nodig is. Dit houdt in dat wijkprofessionals moeten leren bekende kaders en werkwijzen los te laten en met nieuwe in de praktijk te experimenteren. De opgaaf is dus complex en moeilijk. Vooral ook omdat een verbindend conceptueel kader ontbreekt.

Het actieonderzoek ‘Van Vinken naar Vonken’ biedt een verbindend sociaal-ruimtelijk kader, ‘Home & Place-making’, waarmee over grenzen van bestaande werkwijzen en beroepsrollen heen met kansrijke en meer samenhangende ondersteuningsvormen in de praktijk kan worden geëxperimenteerd 

Leertrajecten:

  1. ‘Home & Place making bij jongeren’ : Van werken aan zelf- en samenredzaamheid –> experimenteren met ‘home & place making’ vanuit persoonlijk belangrijke plekken in het echte leven van jongeren; 
  2. ‘Actief grenzenwerk door WIJ-medewerkers’: Van WIJ-medewerkers die binnen gangbare beroepskaders, regels en procedures werken –>  groep ‘baanbrekende’ professionals die bewust beroeps- en domein-grenzen opzoeken om vernieuwende concepten en samenwerkingsvormen uit te proberen;
  3. ‘Meerlagig veranderperspectief bij WIJ-organisatie “: Van een veelheid aan losstaande planmatige verbeter- en implementatie projecten –> samenhangende, elkaar versterkende  leer- en verandertrajecten met als wenkend perspectief meer eenvoud, samenhang en maatwerk in de jeugdzorg.
1.’Home & Place making’ bij jongeren;
  • Het ideaal van nabijheid (aansluiten bij verhaal en echte leven van jongere) staat op gespannen voet met het ideaal van zelfredzaamheid  (levensdomeinen zelfredzaamheid-matrix  uitvragen);
  • De levensdomeinen bij langs gaan om de vraag achter de hulpvraag te specificeren zorgt er voor dat professionals oppervlakkiger in gesprek gaan en snel tot enkelvoudige professionele oplossingen komen, zonder dat daarbij het leven achter de hulpvraag in kaart wordt gebracht;
  •  Een professioneel gesprek voeren aan de hand van persoonlijke  ‘plekkenkaarten’ nodigt jongeren uit zelf richting aan het gesprek te geven, helpt complexe problemen terug te brengen tot kleine uitdagingen en geeft inzicht in de wisselwerking en samenhang tussen plekken (bijvoorbeeld tussen een onveilige thuisplek en buitensporig gedrag en schorsing op het voetbalveld); 
  • Het H&P-gedachtegoed bood in potentie wel een laagdrempelig en meer samenhangend alternatief voor het oplossingsgerichte zelfredzaamheid-gedachtegoed ( wat kun je zelf doen, hoe kunnen anderen je helpen en wat heb je van mij als professional nodig), zeker als het om jongeren gaat met meervoudige problematiek; 
  • Maar het daadwerkelijk willen en kunnen pionieren met het H&P- denk- en werkraam in eigen werkveld, kwam om verschillende redenen moeilijk van de grond: door o.a. hoge werkdruk,  ‘not-invented here’ idee,  doelgroep niet beschikbaar, analytisch inzicht ontbrak om verschil te zien en te maken, meer praat- en overleg-cultuur binnen WIJ dan doe- en pionier-cultuur, etc;. 
  • Tijdrovende verslaglegging en bureaucratisch (her)indicatie-werk (regisseursrol) hinderen laagdrempelige (H&P)-ondersteuning (uitvoeringsrol), waardoor al snel doorverwezen wordt naar specialistische hulp; 
  • Het H&P-gedachtegoed werd door een deel van de meewerkende professionals als een van de vele trainingen gezien, die binnen de WIJ-organisatie aangeboden werd, en dus niet als een manier om samen inhoud te geven aan een andere manier van denken, doen en organiseren in de jeugdzorg;
  • Het projectteam had dus veel meer tijd en energie moeten steken in verwachtingen management, dus in het vragen en actief luisteren naar de verwachtingen van de meewerkende professionals in relatie tot de verwachtingen van het projectteam. De verwachtingen van de professionals bleken zeer divers en doorspekt te zijn met teleurstellende ervaringen uit voorgaande verbeter- en implementatieprojecten en met frustratie over hoge case loads en bureaucratische rompslomp in hun dagelijkse werk; 
  • Het projectteam had ook te weinig kennis van de beoogde doelgroep – jongeren die na opname in een instelling  thuis het leven weer willen oppakken – omdat het onderzoek naar ervaringsverhalen van jongeren vertraging opliep;. 
  • De geselecteerde professionals bleken bij nader inzien ook nauwelijks met deze doelgroep te werken, waardoor andere jongeren dan de de beoogde doelgroep in het actieonderzoek betrokken werden;
  • Door tijdsdruk is er dus in de randvoorwaardelijke sfeer veel mis gegaan. 
  • Maar we hebben wel veel geleerd over de dilemma’s en hindernissen die het leer- en veranderproces in de weg staan!     
 
2. ‘Actief grenzenwerk door WIJ-professionals’:
  • Bij het werven van meewerkende WIJ-professionals in het actieonderzoek is het belangrijk de ins en outs van het experimenteer- en leerkarakter van het actieonderzoek goed met de potentiele kandidaten te bespreken (met name ook waarin het actieonderzoek verschilt van meer planmatige verbeter- en implementatietrajecten). ; 
  • Van belang is ook potentiele deelnemers bewust te maken van de onzekerheid dat aan grenzenwerk vastzit en de onenigheid die het oproept binnen en tussen vakdisciplines/teams;
  • Immers, oude, vertrouwde werkpraktijken worden ter discussie gesteld en nieuwe, ongewisse  praktijken moeten nog in het werkveld uitgeprobeerd of aangescherpt worden; 
  • De meewerkende professionals moeten vertrouwen krijgen, lef hebben en het uitdagend vinden om op en voorbij beroeps, bureaucratische en organisatorische grenzen met nieuwe concepten en oplossingsrichtingen te experimenteren; 
  • Het is ook belangrijk om de tijd te nemen om zorgvuldig deelnemers te selecteren. Het gaat om professionals met commitment, lef en capaciteit om het leer- en verandertraject aan te kunnen.
  • Daarbij gaat het minder om resultaat-verantwoordelijkheid en meer om proces-verantwoordelijkheid  te kunnen en willen nemen voor praktijkexperimenten en het gezamenlijk reflecteren op en stapsgewijs leren daarvan; 
  • Wij hebben de verantwoordelijkheid van de selectie van deelnemers teveel bij de teammanagers gelegd, terwijl zij onvoldoende kennis hadden van de aard van het actieonderzoek en de kwaliteiten die de participanten nodig hebben; 
  • Door de ‘meerlagigheid ‘ van het grenzenwerk en daarmee ook het abstractieniveau van het actieonderzoek, haakten meer praktijkgerichte WIJ-professionals af;
  • Het opdelen van de groep in ‘vrijdenkers’ en ‘weldoeners’, waarin de vrijdenkers met de dynamische leeragenda aan de slag gingen en de weldoeners met het H&P-gedachtegoed, werkte motiverend;  
  • De vrijblijvendheid, die de lijnorganisatie bood om als individuele WIJ-professional wel of niet te blijven participeren in het gezamenlijke leer- en verandertraject, maakte van de leergang een soort van duiventil ,waar het een komen en gaan was meewerkende professionals, die vanuit werk- en prive verplichtingen in en uitvlogen;
  • Deze vrijblijvendheid stond een gezamenlijk leer- en veranderproces in de weg 
  • Het gebrek aan ‘commitment’ en uitval van collega’s riep frustratie op bij gemotiveerde professionals.  
 
3. ‘Meerlagig veranderperspectief bij WIJ-organisatie:
  • Een meerlagig leer- en verandertraject inzetten bij een jonge WIJ-organisatie, die alle bloemen wil laten bloeien en zich kenmerkte door diversiteit in management, bleek te ambitieus;
  • De veelheid aan losstaande implementatie- en verbeterprojecten binnen de WIJ-organisatie (meer dan 60, waarvan onduidelijk was hoe die zich tot elkaar verhielden), maakte dat het van ‘Vinken naar Vonken’ actieonderzoek door meewerkende  WIJ-professionals als het zoveelste belastende, innovatieproject werd ervaren;
  • Ook de uiteenlopende professionele achtergronden van de gevraagde WIj-professionals en de naijver tussen enkele wijkteams onderling, belemmerde het samen leren van en reflecteren op de praktijkexperimenten; 
  • We leerden dat het belangrijk veel tijd te nemen om binnen de organisatie meerlagig commitment en draagvlak voor het actieonderzoek te creeren en dat ook te ‘formaliseren’,. Hierdoor wordt het ‘bottum up’ leren, reflecteren en met elkaar door-experimenteren ‘top down’ ondersteund; 
  • Ingrijpende organisatieveranderingen op het managementniveau gedurende het leer- en verandertraject, veroorzaakte onrust op alle organisatielagen en maakte dat opnieuw draagvlak bij het teammanagement moest worden gecreeerd; 
  • Korte-termijn initiatieven en extern opgelegde verantwoordingspraktijken belemmerden het zicht op op de langere termijn ambitie van WIJ-Groningen “Verdere kanteling van het sociaal domein”, en dus ook de ambitie van het actieonderzoek ‘Van Vinken naar Vonken’, namelijk een gedeelde leer – en verander-beweging in gang zetten richting meer eenvoud, samenhang en maatwerk in de jeugdzorg;
  • Met behulp van deze leerervaringen is samen met drie van de zogenoemde ‘vrijdenkers’ een vervolg actieonderzoek ‘Baanbrekende professionals’ inhoud gegeven. Daarin zetten we meer ‘bottum up’, dus primair vanuit de verwachtingen en ambities van de meewerkende professionals,  een leer- ‘ en verander-beweging in gang richting meer eenvoud, samenhang en maatwerk in de jeugdzorg.   

Actieonderzoek ‘Coaching in Home & Place making’

(2017-2020)

Samenwerkingspartners: Meerperspectief, Merkelijn Coaching, MEE Groningen, Noorderbrug, Revalidatie Friesland, Thuiszorg Noord Nederland, WIJ-Groningen, Zorggroep Meander, RUG (Ruimtelijke Wetenschappen), UMCG (Epidemiologie), WUR (Kennis, Technologie en Innovatie).
Projectmanager: Ant Lettinga (UMCG), a.t.lettinga@umcg.nl;
Onderzoeker: Louise Meijering (RUG), l.b.meijering@rug.nl;
Reflexieve Monitor: Barbara van Mierlo (WUR)
Procesbegeleider: Martian Slagter, info@meerperspectief.nl;
Ervaringsdeskundige: Ellis Merkelijn, info@merkelijncoaching.nl;

Samenvatting: Ondanks multidisciplinaire behandeling in de kliniek speelt achter voordeuren van mensen met ‘Niet Aangeboren Hersenletsel‘ (NAH) veel onbegrepen leed af. Door onzichtbare, cognitieve problematiek vallen NAH-getroffenen in onze participatiesamenleving gemakkelijk tussen wal en schip. Eenmaal thuis is het lastig passende hulp te vinden, omdat voor stukjes problematiek verschillende loketten, vakdisciplines en betaaltitels zijn. Onduidelijk is wie aanspreekbaar is op het geheel. Er is behoefte aan 1 centrale figuur en verbindende theorie. 

Samen met ervaringsdeskundigen en beroepskrachten werkzaam in het zorg en sociaal domein is in dit actieonderzoek met inzet van sociaal-ruimtelijke theorie een ‘Home & Place making’ (H&P)-methodiek ontwikkeld. De focus verschuift daarbij van een lichaam met beperkingen in klinische omgeving naar een netwerk van belangrijke plekken in de thuisomgeving van NAH-getroffenen. Om verschillende domeinen en organisatielagen bij dit leer- en veranderproces te betrekken, zetten we vernieuwende methodes van monitoring en evaluatie in (Reflexieve Monitoring in Actie ), zoals de dynamische leeragenda en tijdlijn workshops. Ook betrokken we meerdere organisaties in de Noordelijke regio en een bredere groep NAH-getroffenen in het actieonderzoek om zo een meerlagig  leer- en veranderproces in gang te zetten. De doelgroep bestond uit NAH-getroffenen die zowel de revalidatieroute als de verpleeghuisroute en de zij-instroomroute naar huis volgden. 

Leertrajecten:

  1. ‘Home & Place making:  Bij een bredere doelgroep in de praktijk experimenteren met levensondersteuning vanuit netwerk van persoonlijk belangrijke plekken;
  2. ”Gedeeld  leer- en veranderproces’: Met ervaringsdeskundigen, beroepskrachten en samenwerkingspartners in de Noordelijke regio een leer- en veranderbeweging in gang zetten om de revalidatiezorg van NAH-getroffenen tot in de thuisomgeving slimmer, efficiënter en humaner te organiseren ;
  3. ‘Reflexieve Monitoring in Actie (RMA)’: Experimenteren met dynamische leeragenda en andere reflexieve monitoring instrumenten om een meerlagig leer- en veranderproces in gang te zetten
1.’ Home & Place making’ :
  • Sociaal-ruimtelijke theorievorming over ‘home making’, ‘place making’ en ‘plaatsidentiteit’ is vertaald in een bruikbare H&P -methodiek voor levensondersteuning van  NAH-getroffenen (link met H&P artikel);
  • Deze methodiek beschouwt het leven van mensen in termen van een netwerk van persoonlijke belangrijke plekken, plekken waar ze hun identiteit aan ontlenen;
  • ‘Place mapping’, oftewel het maken van persoonlijke ‘plekkenkaarten’ voor en na het hersenletsel,  helpt moeilijk grijpbare levensproblematiek in de thuisomgeving in samenhang oppakken; 
  • Het maken van onderscheid tussen ‘mappende’ en ‘coachende’ vragen bleek cruciaal voor de doorontwikkeling van de H&P-methodiek; 
  • ‘Place mapping’ verbindt het leven voor de ontwrichtende gebeurtenis met het leven er na, dus met het ‘huidige, kwetsbare zelf’. ‘Place coaching’ verbindt het hier en nu van de hulpvrager met het ‘mogelijke, toekomstige zelf’;
  • Alhoewel het maken van en het reflecteren op eigen plekkenkaarten van voor, na en voorbij het hersenletsel als emotioneel beladen werd ervaren, werd de wijze van coachen, per plek in kleine stapjes, als inzichtgevend, motiverend en veilig ervaren;  
  • Waar gevestigde behandel- en ondersteuningsmethodieken vooral gericht zijn op het oplossen van problemen in het hier en nu’, verbindt H&P het ‘nu’ ook met het ‘toen’ en ‘straks’. 
  • De meerwaarde van H&P ten opzichte van bestaande methodieken is dat beroepskrachten samen met NAH-getroffenen aan identiteitsgroei kunnen werken en dus aan het ‘mogelijke, toekomstige zelf’.  
 
2. ‘Gedeeld leer- en veranderproces’: 
  • In registratiesystemen van huisartsen blijkt de diagnose NAH niet voor te komen, waardoor de cognitieve problematiek en de impact daarvan op het leven van NAH-getroffenen en hun naasten, nauwelijks (h)erkend wordt; 
  • Ook WMO-consulenten onderschatten als generalisten, en in combinatie met de onzichtbaarheid van cognitieve problematiek, de zwaarte van het leed achter voordeuren van NAH-getroffenen; 
  • Dit maakt dat vooral mensen met licht hersenletsel (na bijvoorbeeld een TIA of ongeval) en met onzichtbare cognitieve problematiek (de zogenoemde zij-instromers) jarenlang ronddolen in een medisch niemandsland voordat ze adequate levensondersteuning krijgen (Link met artikel Hopeful adaptation Louise en ant); 
  • Ondanks de kansrijke concepten en leer- en reflectiebijeenkomsten met een groep betrokken beroepskrachten, bleven meewerkende beroepskrachten het lastig vinden hun eigen professionele en vertrouwde denk- en werkkaders los te laten, het onbekende te laten komen en met nieuwe concepten in hun werkpraktijk te experimenteren;  
  • De neiging om eigen referentiekaders te ‘downloaden” en het onbekende daarin te plaatsen, dus het zoeken naar herbevestiging, was in het begin groot (dat wist ik/doen we al lang);  
  • Het maken van een onderscheid tussen hun eigen ‘vak(disciplinaire) pet, hun ‘H&P-pet’ en hun ‘projectpet’ hielp hen zich bewust te worden van de verschillende, soms, conflicterende rollen die ze op zich namen in het actieonderzoek; 
  • Ervaringsdeskundigen zagen tijdens de praktijkexperimenten sneller dan de participerende beroepskrachten de waarde van het H&P-gedachtegoed en wisten die in rijke, concrete taal te vatten;  
  • Bestaande samenwerkingsvormen en taakverdelingen binnen en tussen organisaties, externe op controle gerichte verantwoordingspraktijken, wet- en regelgeving, het ontbreken van betaaltitels voor een integrale H&P-aanpak, dus het zorgsysteem zelf ,belemmerde meewerkende  beroepskrachten  vooral in het experimenteren met H&P: afvink-lijsten en SMART in te vullen vragenlijsten boden weinig experimenteerruimte;  
  • Ter illustratie een citaat van een meewerkende beroepskracht:                                                                      “Waar managers wel zouden willen uitbreiden, zeggen ze, we mogen niet uitbreiden. Wij krijgen van de zorgverzekeraars te horen, eerst komen met wetenschappelijk bewijs en dan zijn we misschien wel bereid de SMART-registratie los te laten. …Heel heftig! Ze vragen van elk gesprek met NAH-getroffenen een verslag met SMART-doelen. Niet dat ze elk verslag lezen, maar ze moeten wel de mogelijkheid hebben om dat te doen. We vragen ons dan echt af hoe dat moet met de neurologie.  Dan heb je het dus over ‘evidence-based practice’. Want ja,  jij zegt dat je dit wilt gebruiken. Maar waar is dan het wetenschappelijk bewijs, zullen ze vragen.”
 
  • De aanname van een behandeling- en ondersteuningspraktijk van NAH-getroffen, die op ‘evidence’ gebaseerd moet zijn, belemmert dus de ontwikkeling van een meer efficiente, humane en samenhangende revalidatiezorg; 
  • Het trans-disciplinaire projectteam – met daarin een ruimtelijke wetenschapper, een revalidatiewetenschapper, een actieonderzoeker, een procesbegeleider en een ervaringsdeskundige  NAH – is daarom zelf ook een gezamenlijk leerproces aangegaan, door hun kennis en leerervaringen te integreren en in een lab-achtige situatie met H&P te experimenteren;  
  • Niet gehinderd door zorgsysteem, en gevoed door de vragen van beroepskrachten tijdens de leer- en reflectiebijeenkomsten, resulteerde dit in een aanscherping en verfijning van de H&P-methodiek;
  • Op het samenwerking- en organisatievlak zijn we vooral tegen systeemgrenzen aangelopen, zoals tegen de op controle gerichte verantwoordingspraktijken van zorg-financiers en het ontbreken van passende betaaltitels voor een integrale aanpak. 
  • Om deze systeemgrenzen open te breken is veel meer nodig dan een meerlagig actieonderzoek in een bepaalde regio. We zullen daarvoor de innovatiekracht in verschillende transitie-projecten moeten bundelen en daarbij moeten aanhaken op beinvloedingsmacht op macroniveau.  
 
3. ‘Reflexieve Monitoring in Actie (RMA)’:
  • De ‘Dynamische Leer Agenda’ (DLA) bleek een verrassend goed monitoring instrument om vanuit een meerlagig perspectief succeservaringen, dilemma’s, knelpunten en institutionele barrieres in kaart te brengen;
  • Ook het motto ”What’s in the way, becomes the way!’ faciliteerde deelnemers aan het actieonderzoek om op en over grenzen van hun werkvelden nieuwe inzichten en vaardigheden uit te proberen, leerervaringen terug te geven om daar gezamenlijk op te reflecteren en nieuwe actielijnen voor uit te stippelen; 
  • De keerzijde was, dat de veelheid en het hardnekkige van de institutionele problematiek participerende beroepskrachten gedemotiveerd en moedeloos maakte, omdat zij er op eigen professioneel niveau niets aan konden veranderen; 
  • Ter illustratie een citaat van een reflectiegesprek met beroepskracht aan het actieonderzoek:
 
  • Professional: Ik vind dat ik van alles moet, maar dat ik gewoon niet ….Ik ben er klaar mee….Ik zie er hele mooie dingen in. Maar gewoon een gevoel. Van bovenaf wordt er wat van mij verwacht:, vanuit jullie project, vanuit mijn organisatie worden er dingen verwacht. En daarin wil je heel graag open en flexibel zijn. En ik wil dat ook graag verder brengen. Maar ik moet ook mijn dagelijkse werk doen. En hoe verder het project gaat, hoe meer ik het gevoel heb dat ik niks doe…
  • Procesbegeleider: Wat zijn hierin voor jou de grootste conflicterende elementen? 
  • Professional: Misschien wel mijn eigen gedachten. Dat ik het misschien al verder had moeten brengen dan wat ik misschien gedaan heb. Ik weet het niet…
 
  • Dit soort systeem-innovatief actieonderzoek brengt participerende beroepskrachten dus in een kwetsbare situatie. Als onderzoekers vragen we hen hun kop boven het maaiveld uit te steken, terwijl het zorgsysteem en vaak ook hun collega’s en organisaties hen vragen om zich te verantwoorden voor het ‘grenzenwerk’ dat ze verrichten; 
  • Het is haast een ethische afweging om zorg-professionals, die van nature vaak sterk verbonden zijn met de mensen voor wie ze werken, te vragen mee te werken aan systeem-innovatief actieonderzoek. Wetende dat de gevestigde, vaak door politieke en financiele  belangen in het leven geroepen systeemgrenzen moeilijk te doorbreken zijn;
  • Dit ethische aspect vraagt om zorgvuldige voorbereiding en selectie van meewerkende beroepskrachten in het actieonderzoek;  
  • Het voorbereid zijn op gevoelens van frustratie bij het in kaart brengen van dilemma’s en knelpunten in actieonderzoek, maken ze hanteerbaarder als ze aan de orde komen:
  • Het is ook belangrijk om bij de werving en selectie van deelnemers aan het actieonderzoek, beroepskrachten bewust te maken van de onenigheid en onzekerheid, die altijd met grenzenwerk en dus systeem-innovatief onderzoek gepaard gaan; 
  • Cruciaal voor systeem-innovatief actieonderzoek is ook bestuurders en managers op verschillende lagen van de organisatie mede-eigenaar van het actieonderzoek te maken, ondermeer om ‘baanbrekende’ professionals rugdekking te geven en zo samen met hen experimenteerruimte te scheppen;.  
  • We hebben dit gedaan, door naast de leer- en reflectiebijeenkomsten met meewerkende  beroepskrachten, ook in te zetten op procesbegeleiding op locatie, met de beroepskrachten, hun teams, managers en bestuurders.

Actieonderzoek ‘Rehab-4-Life na hersenletsel’

(2012-2017)

Samenwerkingspartners: UMCG-Centrum voor Revalidatie, Centric, Wildsea, Ruimtelijke wetenschappen
Projectleider: Ant Lettinga,  a.t.lettinga@umcg.nl
Procesbegeleider: Anja van der Heide, a.d.van.der.heide@umcg.nl;
Onderzoekers: Christa Nanninga christananninga@hotmail.com; Judith Feiken j.f.feiken@umcg.nl
Coach-de-coach: Sietske Jans s.jans@super-u.nl;                                                                                             Adviseur : Louise Meijering, l.b.meijering@rug.nl. 

Samenvatting: ‘Rehab-4-Life’ richt zich op een groep kwetsbare mensen die door een beroerte of ongeval plotseling met de (on)zichtbare gevolgen van hersenletsel wordt geconfronteerd. Het zijn mensen die door cognitieve beperkingen op eigen kracht zelf moeilijk de regie kunnen pakken. Dit betekent dat mantelzorgers vaak moeten bijspringen en een groot risico lopen ook overbelast te raken. Vaak verzanden getroffenen en hun mantelzorgers in een doolhof van loketten, partijen, regels, protocollen en instanties. Niemand lijkt aanspreekbaar op het geheel.

Het actieonderzoek ‘Rehab-4-Life’ wil de revalidatiezorg voor mensen, die door hersenletsel getroffenen zijn, op een meer slimme, efficiënte en humane manier tot in de eigen leefomgeving organiseren. Het experimenteert in de praktijk met nieuwe technologie, combinatiefuncties  en vernieuwende zorgpraktijken. Het verbeteren van de revalidatiezorg vanuit de behoeften en ervaringskennis van getroffenen en hun naasten staat hierbij centraal [Nanninga 2021].

Leertrajecten:

  1. ‘Combi-functies’: experimenteren met 1 centrale figuur in zorgcontinuüm door revalidatieprofessionals met verschillende disciplinaire achtergronden hun klinische werk te combineren met rol van coach van multi-problematiek (procesbegeleider Sietske Jans)
  2. ‘Gecombineerde Coaching aan Huis en over Afstand’: kostbare reistijd reduceren door ‘coaching aan huis’ te combineren met ‘coaching op afstand’ (Anja van der Heide)
  3. Therapeutisch Instrument Apraxie van de Spraak’ (onderzoeker Judith Feiken): experimenteren met digitalisering van logopedische instrumenten [Feiken & Lettinga 2014
  4. Sociaal-ruimtelijke theorie: onderzoeken ervaringskennis NAH-getroffenen vanuit een sociaal geografisch perspectief [Nanninga, e.a. 2014]. 
1.Combi-functies
  • Het combineren van en bestaande functie (nazorg-verpleegkundige of fysiotherapeut) en nieuwe functie (coach van de multiproblematiek) is een krachtig instrument om een leer- en veranderproces in gaan te zetten; 
  • Het in de revalidatiepraktijk uitproberen van het idee van de coach van de multiproblematiek riep weerstand op bij maatschappelijk werk, omdat ze vonden dat de coaches zich op hun werkterrein begaven.   
  • Combinatiefunctionarissen moeten zich gesteund voelen door het bestuur, , de lijnorganisatie, het revalidatieteam en hun collega’s , willen ze hun experimenteerruimte volledig durven en kunnen benutten. 
2. Gecombineerde coaching aan huis en over afstand 
  • Vooral de combinatie van ‘face-to-face’ en screen-to-screen” contact thuis ervaren NAH-getroffenen en hun mantelzorgers als prettig; 
  • Het ontbreken van een toegankelijke ICT-infrastructuur  in het UMCG, stond structurele inbedding van coaching over afstand in de weg;
3. Therapeutisch Instrument Apraxie van de Spraak (TIAS) met fun factor:
  • Logopedisten en NAH-getroffenen ervaren het oefenen met interventies via de I-Pad als plezierig en uitdagend, omdat gaming elementen de motivatie en fun-factor van het oefenen vergroten; 
  • Door de grote hoeveelheid oefenmateriaal op de app (content) liet de reactiesnelheid en stabiliteit van de software te wensen over. 
  • De applicatie kon lichter en stabieler worden gemaakt door de app en het oefenmateriaal van elkaar te scheiden met behulp van een Content Management Systeem (CMS) ;
  • Met behulp van hetzelfde Just in Time synchronisatie mechanisme kon ook de voortgang en gepersonaliseerde content van gebruikers worden opgeslagen; 
  • Het kost tijd  om elkaars taal te leren spreken als onderzoekers., therapeuten en de gaming-industrie samen een digitale applicatie met gaming elementen  willen ontwikkelen. 
4. Sociaal-ruimtelijke theorie:
  • Achter de voordeuren van NAH-getroffenen speelt zich veel onbegrepen leed af;
  • Een lichaam na hersenletsel optimaal herstellen is heel iets anders dan een leven weer eigen maken met de onzichtbare (cognitieve) gevolgen ervan;
  • Identiteitsverwarring, verlies en thuisgevoel zijn belangrijke aangrijpingspunten voor het persoonlijke herstelproces in eigen leefomgeving;
  • Om los te komen van eigen vakdisciplinaire manieren van denken en doen, vroegen revalidatieprofessionals om een beroepsgroepsoverstijgend en verbindend denk- en werkkader voor de ‘coach van de multi-problematiek’;
  • Sociaal-ruimtelijke theorie over ‘home & place making’ bleek kansrijk.

Actieonderzoek ‘Gecombineerde Klinische Thuisbehandeling’

(2010-2012)

Samenwerkingspartners:Fysiotherapeuten, ergotherapeuten en revalidatieartsen werkzaam in het neuro-revalidatieteam van het UMCG-Centrum voor Revalidatie.
Projectleider: Ant Lettinga (UMCG-Centrum voor Revalidatie), a.t.lettinga@umcg.nl
Onderzoeker: Christa Nanninga (UMCG-Centrum voor Revalidatie) christanananninga@hotmail.com

Samenvatting: Hoe komt het dat het geleerde in de kliniek zo moeilijk beklijft in de thuissetting als CVA-patiënten na opname in een revalidatiecentrum naar huis gaan? En hoe kunnen we de transfer van de klinische setting naar de thuisetting met beschikbaar wetenschappelijk bewijs verbeteren? Deze vragen van revalidatieprofessionals vormden de aanleiding van het actieonderzoek, waarin ‘evidence’ voor ‘Early Supported Discharge’ voor CVA-patiënten met milde beperkingen werd toegesneden op de behoeften van CVA-patiënten met ernstige beperkingen opgenomen in het Centrum voor Revalidatie. Fysio- en ergotherapeuten experimenteerden met hulp van onderzoekers in een vroeg stadium met het toepassen van ‘Gecombineerde Klinische Thuisbehandeling’. De revalidatieprofessionals waren enthousiast over het gecombineerd behandelen van CVA-patiënten in de klinische en thuisetting. Maar praktische en organisatorische obstakels stonden structurele implementatie in de weg [Nanninga, e.a. 2015].

Leertrajecten:

1. Evidence-based practice: onderzoeken van successen en belemmeringen van ‘evidence-based’ onderzoek voor neuro-revalidatiepraktijk [Nanninga 2021; Lettinga & Mol 2002].

2 ‘Gecombineerde Klinische Thuisrevalidatie’: experimenteren met integreren van professionele en ‘evidence-based’ kennis in verbeter- en implementatietrajecten [Nanninga, e.a 2015].

1. ‘Evidence-based practice (EBP)’:
  • ‘Evidence-based practice’ schiet tekort als rechtstreeks toepassingsproces van wetenschappelijk bewijs;
  •  Het verbeteren van de praktijk met behulp van beschikbare ‘evidence’ is meer een kwestie van zoeken, redeneren, en creatief werken met uiteenlopende kennisbronnen in partnerschap met verschillende belanghebbenden . 
 
2. ‘Gecombineerde Klinische Thuisrevalidatie’
  • Het in een vroeg stadium combineren van klinische en thuisrevalidatie stelde revalidatieprofessionals in staat de ‘evidence-based’ taak- en context-specifieke training daadwerkelijk context-specifiek te maken;
  • De efficiëntie kwam in het geding door kostbare reistijd en logistieke problemen;
  • Schotten tussen financieringsstromen vormden een obstakel voor de betaalbaarheid en toepasbaarheid van de experimentele interventie.