''Home & Place making'-raamwerk voor beroepskrachten

Centraal in de H&P-methodiek staat het maken van ‘plekkenkaarten’ van levens van hulpvragers. Dit noemen we ‘place mapping’. Plekkenkaarten geven een schets van levens van mensen vanuit alledaagse plekken waar ze graag zijn (het ‘nu’), waren (het ‘toen’) en (weer) na toe willen (het ‘straks’).’Waar sta ik nu?; Hoe was dat voor de ingrijpende gebeurtenis?; Waar wil ik straks (weer) naar toe?’ Dit zijn levensvragen die hulpvragers na een “life event’ plek voor plek kunnen oppakken, los van de ernst van de gebeurtenis. Je weer thuis voelen op een plek heeft zowel met de inrichting als met de sociale routines, rollen, relaties en zelfbeeld op die plek te maken. Deze verschillen per plek. Bij het in kaart brengen van belangrijke plekken in het leven van hulpvragers, leerden we  ‘mappende’ vragen van ‘coachende’ vragen te onderscheiden. Waarin deze vragen verschillen, leggen we hieronder uit aan de hand van het H&P.-raamwerk. Maar in het begin is het belangrijk om eerst met lege handen te luisteren naar het verhaal van de hulpvrager

 

Eerst met lege handen luisteren

Om bij het persoonlijke verhaal van de hulpvrager aan te kunnen sluiten, is het loslaten van eigen professionele hulpkaders – dus ook het denken en werken vanuit plekken – een voorwaarde. Het gaat om presentie, waarachtig zijn en acceptatie zonder oordeel. Deels betreft dit je houding als professional en deels is het een vaardigheid. Passende opmerkingen hebben in deze fase vaak de strekking van erkenning: ‘Dat is ingrijpend zeg’; ‘Knap dat je al weer zo ver bent’; ‘Dat moet zwaar voor je zijn’. Bij gevoelens van onmacht, angst of frustratie is het belangrijk om niet te vergoelijken, versterken of te oordelen. Aannemen en erkennen, daar gaat het in het begin vooral om.

'Place mapping: verbinden van plekken 'nu' en 'toen'

‘Place mapping’ houdt in dat je samen met de hulpvrager zijn of haar persoonlijk netwerk van plekken voor en na een levensgebeurtenis concreet uittekent. Deze ‘place maps’ visualiseren op een eenvoudige en samenhangende manier het leven achter de hulpvraag. Plekkenkaarten nodigen uit het verhaal achter en de interactie tussen plekken te vertellen. 

Bij ‘place mapping’ stel je vooral feitelijke vragen over plekken die in het leven van de hulpvrager betekenisvol zijn. De hulpvrager hoeft nog niet echt te reflecteren. Dit gebeurt bij ‘place coaching’. De vragen die we stellen bij het maken van plekkenkaarten, noemen we ‘mappende’ vragen. Om ze te onderscheiden van ‘coachende’ vragen. Mappende vragen verbinden het netwerk van plekken in het huidige leven van de hulpvrager (het  NU) met dat in het vroegere leven (het TOEN), dus voor de ingrijpende gebeurtenis. 

NU; ‘Hoe ziet een doordeweekse dag er nu voor jou uit?; Waar ben je het liefst; Waar krijg je meest energie van?; Waar kom je liever niet meer?; Waar heeft dat mee te maken, denk je?                                                                TOEN: “Hoe was dat voor …….(ingrijpend gebeurtenis)?; Waar ging je toen graag naar toe?  

In de praktijk zal blijken dat er in de eerste gesprekken al plekken voorbij komen. Die kun je voor jezelf  noteren en er later eentje uitpikken als begin voor het maken van een plekkenkaart. Plekken kun je ook ‘ontdekken’ door te letten op de activiteiten waar de hulpvrager over vertelt. Dus over wat hij graag deed, doet en (weer) wil doen. Komt een plek of activiteit veel terug in het verhaal van de hulpvrager, dan kun je met gesprekstechnieken als parafraseren  en ‘Luisteren, Samenvatten en Doorvragen (LSD)’ het leven achter de plek en het thuisgevoel verder in kaart brengen. Plekkenkaarten bieden overzicht en focus tegelijk. Daardoor , wordt de situatie minder als bedreigend ervaren. 

Ervaringsdeskundige ‘Niet Aangeboren Hersenletsel’ (NAH): ‘Ik zou dit kijken naar plekken nooit zelf hebben opgezocht. Daar blijf ik ver vandaan. Het is te veel voor me. Ik heb het overzicht niet en word dan overspoeld door gedachten en emoties. Maar op deze wijze, per plek in kleine stapjes, voelt het veel minder bedreigend.

Voorbeelden mappende vragen

  • Waar ik je mee kan helpen, is samen in beeld brengen hoe je leven er nu ziet. Letterlijk: op welke plekken kom je graag, op welke niet of niet meer. En waar zou je weer naar toe willen. Dan kunnen we daarna verkennen hoe je hier oplossingen voor kunt vinden;
  • Kun je vertellen hoe een doordeweekse dag er voor jou uitziet? Hoe begint je dag? En dan? Waar ga je dan naar toe?
  • Heb je activiteiten die je altijd doet? Waar doe je die dan?
  • Kun je vertellen waar … [ activiteit] zich afspeelt? Zoals je het nu beschrijft, is de plek in de buurt, waar precies? Wat staat daar? (fysiek)
  • Als je dan hier .. [plek] bent, waar ben je dan het liefst? Wat doe je daar dan? Met wie? (sociale routines en relaties)
  • Welke plek is op dit moment het meest belangrijk voor jou? Wat maakt deze plek zo belangrijk voor jou? (NU)
  • Zijn er ook plekken die je minder fijn vindt? Waar je minder graag komt? Wat maakt dat je ze liever vermijdt? (NU)
  • Waar staat deze plek voor? Wat betekent deze plek voor jou? (persoonlijk)
  • Als het te veel wordt, wat doe je dan? Welke plek ga je dan heen?
  • Hoe ben je erachter gekomen dat dit goed voor jou werkt? Hoe reageerden jouw gezinsleden op deze manier? Wat doet dat met jullie contact? (relaties)
  • Welke plek mis je uit de periode voor …[ingrijpende gebeurtenis]? (TOEN)
  • Zijn er (nog meer) activiteiten die je daar voorheen deed (TOEN) en nu niet meer?
  • Welke plek/activiteit zou je nu nader willen verkennen? Of de meeste energie in willen steken? 
  • En zijn er plekken denkbaar voor jou waarvan je denkt dat je daar nog wel eens zou willen komen, die nu niet op papier staan? Waar je naar verlangt? (STRAKS)

‘'Place coaching': verbinden van plekken 'nu' en 'straks'

 ‘Place coaching’ bouwt voort op ‘place mapping’. Daar waar gewenste plekken, dus het ‘STRAKS’,  in beeld komen, zijn ‘coachende’ vragen geschikt. Coachende vragen zetten de hulpvrager aan tot nadenken en reflectie. Ze verbinden plekken in het huidige leven (het ‘NU’ ) van de hulpvrager met mogelijk nieuwe plekken in het leven later (het ‘STRAKS’), dus voorbij de ingrijpende gebeurtenis. Coachende vragen gaan ondermeer in op het ‘huidige’ en ‘mogelijk zelf‘ op plekken die voor de hulpvrager belangrijk zijn. 

NU: “Wat roept deze plekkenkaart bij je op?; Wat maakt het lastig voor je?; Wat maakt dat je je daar niet meer vertrouwd voelt?                                                                                                                                                         STRAKS: ‘Waar zou je graag weer naar toe willen?; Stel dat je dat gaat doen, wat zou het je opleveren?; Wat zou je wel kunnen doen om iets in die richting te doen? 

Coachende vragende vragen hebben tijd nodig. Laat je verassen door het antwoord. Neem de tijd en ga zonder het zelf in te vullen hierop voortborduren. Per persoon verschilt het moment waarop je coachende vragen kunt stellen. Woorden als ‘lastig’, ‘moeilijk’ en ‘vervelend’ zijn aanknopingspunten om het eigenaarschap te onderzoeken. Een opening is bijvoorbeeld: Wat maakt het lastig voor jou? – met nadruk op jou. Er zijn geen foute vragen. Als professional hoef je het antwoord op de vraag niet te weten. Elk antwoord is waar en goed voor degene die antwoord geeft. En elk antwoord is uitgangspunt voor verder verkenning van inzichten, ideeën en mogelijkheden. 

Coachende vragen leiden naar keuzes en acties. Een coachende benadering helpt dus de agenda van de ander bloot te leggen en is daarmee autonomie bevorderend. Volg je je eigen agenda, ingegeven door bijvoorbeeld je beroepsrol of checklijsten, dan levert dat vaak een sturende benadering op. In de praktijk van ‘place coaching’ wisselen ‘vraagsoorten zich af, afhankelijk van de situatie of fase waarin degene met wie je werkt zich bevindt.

Voorbeelden coachende vragen

  • Welke plek zou je graag verder willen verkennen?
  • Ik heb ook dingen getekend over je werk. Je vertelde dat je daar toch een bepaalde identiteit aan ontleende. Wat ben je daarin in de loop van de tijd kwijtgeraakt?; Waar vind je dat nu op een andere manier terug?
  • Waar ervaar je de verandering het meeste?; Hoe zou je in de toekomst willen dat het er uitziet?
  • Stel dat het dan gaat lukken, hoe zou je je dan voelen?; Wat is er dan veranderd?
  • Wanneer is het wel mogelijk?; Wat kun je nu al wel doen in deze richting?; Wat heb je nodig om deze eerste stap te zetten?; Wie of wat zou je daarbij kunnen helpen?
  • En als je die persoon zou vragen, wat is dan voor jou de winst?; Stel dat ze het doet, wat gebeurt er dan?
  • Stel dat het dan gaat lukken, hoe zou jij je dan voelen?; Wat is er dan veranderd?
  • Welk inzicht levert jou dit gesprek op?
  • Wat kan je hiermee morgen al anders doen?
  • Wat wil je hierover afspreken?

Verschillende soorten coachvragen:

  • Waar wil je het graag over hebben?
  • Welke plek zou je nu de meeste energie in willen steken?
  • Wie zijn er betrokken bij jouw vraag? (tekenen)
  • Wat zie jij als kern van het probleem/je hulpvraag of kwestie?
  • Op welke plekken loop je tegen het probleem aan?
  • Wat is volgens jou de reden dat…..?
  • Hoe zouden de anderen hierover denken?
  • Wat maakt dat zij dat steeds doen, denk je?
  • Als jij dit doet, wat doen zij/B dan?
  • Als A dit doet, wat gebeurt er dan?
  • Wat doet B als blijkt dat….?
  • Wat doe jij in antwoord op de kwestie/het probleem?
  • Als A geïrriteerd raakt , wat doet B dan?
  • Als A een opmerking maakt, wat is dan de reactie van B/C/D?
  • Wie heeft hier …[plek] het meeste last/profijt van? Wie het minst?
  • Wie reageert er dan als eerste/laatste?
  • Wat als je hier mee stopt, wat gebeurt er dan?
  • Stel dat het lukt, welk probleem is dan opgelost?; Wat ontstaat er dan?
  • Wat als……; Wat maakt dat…
  • Wat zou kunnen bijdragen?

(legt overtuigingen bloot, waardoor je het erover kunt hebben)

  • Bijvoorbeeld: Wat zou A nu over jou denken?
  • Wat heeft dit te betekenen als A dit doet, denk je?
  • Heb je dit gevoel/emotie/belemmering/….. al eens eerder ervaren? Waar was dat? Wat deed je toen? Heeft dat geholpen? Wat hielp juist niet?
  • Wat maakt dat deze plek zo prettig/veilig voor je is? Wat hiervan kun je meenemen naar andere plekken waar je graag weer naar toe wilt?
  • Wat helpt jou om het vol te houden hier [plek]? Zou dit ook op andere plekken kunnen helpen?
  • Je hebt daar [plek] zelf oplossingen gevonden om ondanks….. weer goed te kunnen functioneren, hoe heb je dat gedaan?; Welke kwaliteiten heb je daarbij ingezet? En zou je deze kwaliteiten ook op elders kunnen inzetten?; Waar denk je dat dit het beste gaat lukken?
  • Als dit zo doorgaat, wat gebeurt er dan?
  • Als dit lukt, hoe zou je je dan voelen/wat zien anderen dan aan jou/wat zou het je kunnen opleveren?

Plaatsidentiteit en 'mogelijk zelf'

‘Identiteit’ heeft te maken met het beeld dat iemand van zichzelf heeft en anderen zich daarover vormen. Is in het H&P-gedachtegoed is identiteit onlosmakelijk verbonden met belangrijke plekken in levens van mensen. Dus wie je was, bent, kunt en wilt zijn, is niet los te zien van waar je was, bent, kunt en wilt zijn. Identiteitsvragen gaan over de betekenis van een plek voor de hulpvrager. Over hoe thuis-, werk- of vrijetijdsplekken inhoud geven aan hun huidige, vaak kwetsbare zelf. Wat komt iemand tegen op een persoonlijk belangrijke plek? Wat raakt iemand daar na een ingrijpende gebeurtenis en wat is het gevolg hiervan? 

NU: “Wat maakt dat je je op deze plek (niet) thuis voelt?; Wie kan je hier niet (meer) zijn, die je wel wilt zijn?; Hoe zie je je zelf nu op deze plek?; Hoe zie je jezelf van toen? “

Andersom: Hoe zet iemand deze plek naar zijn hand zodat hij zich er (weer) thuis voelt. Identiteit gaat niet alleen over ‘toen’ en ‘nu’, het gaat ook over verwachtingen met betrekking tot de toekomst. Dus over het ‘mogelijke zelf’, over wie iemand daar kan en wil zijn. 

 STRAKS: Hoe zorg jij er voor dat je je hier weer veilig voelt?; Wat is dat dan, veilig voelen voor jou?; Hoe wil je gezien worden op deze plek/bij deze activiteit? 

Plekkenkaarten geven dus richting aan gesprekken over verlies, thuisgevoel en identiteit in levens van mensen, na een ingrijpende gebeurtenis, los van de ernst van de gebeurtenis. Ze groeien als het ware mee in het persoonlijk herstelproces dat iemand doormaakt. Het leerproces, dat zich aftekent in de meegroeiende plekkenkaarten, weerspiegelt daarmee ook de identiteitsverandering die daarmee gepaard gaat.  

Ervaringsdeskundige Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH: “Ik ben me er momenteel van bewust, dat als ik in een bepaalde situatie zit, deze al weer inkleur in mijn map. Soms is dat alleen maar denkbeeldig”.

Voorbeelden identiteitsvragen

  • Hoe ziet jouw leven eruit nu je het weer oppakt?; Op welke plekken kom je graag?; En hoe beïnvloedt deze plek jouw stemming?; Wat is het gevolg?
  • Wat maakt dat je je op deze plek (niet) thuis voelt?; Wie kan je hier niet zijn die je wel wilt zijn?; Hoe zie jij jezelf nu op deze plek?; Hoe zie jij jezelf van toen?; Hoe zorg jij ervoor dat je je hier weer vertrouwd voelt?; Wat is dan dat vertrouwd voelen?
  • Hoe wil je gezien worden op deze plek, in deze activiteit?;.Is er een verschil tussen de plekken die we ingetekend hebben?; Wat maakt het verschillend voor jou?
  • Waar kom je liever niet meer?; Wat laat je achter?; Wat betekent dat voor jou?
  • Welke betekenis had deze plek voordat je… [gebeurtenis]?; En hoe is dat nu?; Hoe beïnvloedt dat jouw keuzes om iets wel of niet te doen?
  • Waar maak je je nu druk om waar dat voorheen niet zo was?; Wat betekent dat voor hoe jij tegen jezelf aankijkt?
  • Welke indruk wil je achterlaten als je… [activiteit] doet?; Wat maakt dit belangrijk voor jou?; Welke waarde had/ heeft deze [activiteit] voor jou? ;Op welke plekken kom je deze waarde ook weer tegen?
  • Deze plekkenkaart laat zien dat er veel nieuw te ontdekken activiteiten en plaatsen zijn om te verkennen? Hoe is dat voor jou?; Welke zijn voor jou het meest belangrijk?; En welke zijn minder belangrijk geworden die dat voorheen wel waren?
  • Als je 2 jaar verder bent, hoe verwacht je je dan te voelen over [plek, activiteit, rol]?; Hoe wil je dan zijn?,

Fysiek, sociaal en persoonlijk thuis

 Theorie over ‘homemaking’ leert ons dat mensen zich wel of niet (meer) thuis voelen op een plek, vanwege de inrichting van de plek (fysiek thuis), door sociale routines, rollen en relaties die er bij horen (sociaal thuis) en wie ze daar willen en kunnen zijn (persoonlijk thuis). Hier gaan de verdiepende vragen over. 

Professional: Wat is je favoriete plek in huis als je thuis komt van je werk?                                                  Hulpvrager: De bank (plek). Ik ben vaak zo moe na mijn werk, dat ik alleen maar uitgeteld op de bank kan liggen.Alle prikkels zijn dan te veel voor mij, zelfs als mijn kinderen thuis komen (sociaal thuis). Een kort lontje heb ik dan vaak. (NU)                                                                                                                                                   Professional: Hoe is dat dan voor jou? (persoonlijk thuis)                                                                                              Hulpvrager: Vreselijk, ik voel me dan zo nutteloos.Vroeger voor mijn hersenletsel ging ik dan een kopje thee voor ze zetten, even bijpraten aan tafel (plek) en daarna de keuken (plek)in, lekker ontspannen koken en zo (plekkenTOEN).                                                                                                                                                     Professional: Heb je dan ook spullen bij je op de bank (fysiek thuis)?                                                                          Hulpvrager: Ja, mijn laptop en mijn mobiel.                                                                                                    Professional: Doe je dan ook iets met die spullen?                                                                                              Hulpvrager: Soms regel ik nog iets op mijn werk of ik app mijn moeder. Ook met mijn kinderen, als ze andere plannen hebben? Maar dan wel op het moment als het mij uitkomt (sociaal thuis).                                                    Professional: Hoe nuttig voelt dat voor jou?  (persoonlijk thuis)                                                                                      Hulpvrager: Best wel nuttig eigenlijk!………..                                                                                                      Professional: …….Stel, je zou voor jezelf een plek in huis inrichten, waar je jezelf kunt terug trekken, als het allemaal even te veel wordt, hoe zou die er dan uit zien? (STRAKS)

Bij zowel mappende als coachende vragen kun je schakelen van ‘inzoomen’ naar ‘uitzoomen’. Bij inzoomen maak je het schaalniveau kleiner en ga je dieper op de plek in. Bijvoorbeeld in het gesprek hierboven ‘zoom je in’ op de bank als plek en zoom je uit naar een mogelijke terugplek in huis. Bij uitzoomen vergroot je het schaalniveau en ga je dieper op de interactie tussen plekken in. Zo gaat de professional hierboven in op de op de wisselwerking tussen de werk- en woonplek van een hulpvrager die kampt met overgevoeligheid van prikkels door hersenletsel. In bovenstaand gesprek zie je ook dat mappende en coachende vragen door elkaar lopen. Dit geldt ook voor de vragen over fysieke (spullen bij bank als plek), sociale (rol als moeder en relatie met kinderen) en persoonlijke  (kort lontje) aspecten van thuisgevoel op plekken die belangrijk voor de hulpvrager zijn (keuken)tafel). 

De H&P-methodiek staat niet alleen voor praten over hoe plekken (weer) eigen te maken na een ingrijpende gebeurtenis zoals het krijgen van hersenletsel. Het gaat ook over ‘home-making’ doen: over voorzichtig uitproberen hoe je het netwerk van persoonlijk belangrijke plekken na een ‘life event’ weer naar je hand kan zetten. Bijvoorbeeld door bekende plekken die je kwetsbaar maken te vermijden en daarvoor in de plaats nieuwe, meer onbekende plekken te verkennen, zoals de relatie met een vriendin op een andere manier inhoud te geven door een wandelafspraak in de natuur, te maken  in plaats van in de kroeg (teveel prikkels. af te spreken zoals de hulpvrager gewend was te doen. Of door belangrijke bekende plekken in fysieke, sociale of persoonlijke zin anders inhoud te geven, door bijvoorbeeld op een rustig tijdstip naar de kroeg te gaan. .